Wat er mis is met de tendentieuze ondergangsprofetie van Jan van de Beek

Miko Flohr, 15/06/2018

Vooruit. Laten we dat hele verdommese artikel van Duk er dan toch nog maar eens bij pakken. U wilde inhoudelijke argumenten, dan kunt u ze krijgen ook. Wat Van de Beek in dit stuk zegt is, om het voorzichtig uit te drukken, een beetje raar. Het gaat eigenlijk al mis in de eerste alinea, als we horen dat aan het eind van deze eeuw ‘miljoenen inwoners zich niet met Nederland identificeren’ en dat Nederland dan een ‘totaal ander land’ zal zijn geworden. Het hele idee dat je met een demografisch (en wiskundig) model kan uitrekenen hoe dit land er over 81 jaar sociaal-cultureel uitziet is volstrekt a-wetenschappelijke lariekoek. Het kan niet. Nu ja, je kan modelleren wat je wil, maar de voorspellende waarde van het model is nihil – de geschiedenis laat zich niet vangen door de wiskunde. If only. Het tweede punt is volstrekt gratuit: natuurlijk zal Nederland er in 2099 totaal anders uitzien dan in 2018. 81 jaar geleden was Nederland ook een totaal ander land dan het nu is, en de wereld van 1937 was onvergelijkbaar met die van 1856.

Variabelen en constanten

De absurditeit van wat Van de Beek probeert te doen wordt duidelijk als je het omdraait: had iemand in 1937 – met de kennis van destijds en de technologie van nu – een demografisch model kunnen maken dat ons sociaal-culturele landschap in 2018 zou kunnen voorspellen? Zelfs zonder oorlog, holocaust en postkoloniale migratie was dat de facto onbegonnen werk geweest. Voor 1856 en 1937 geldt hoegenaamd hetzelfde. In de tweede alinea doet Van de Beek er nog een schepje bovenop als hij uitlegt wat hij zoal aan variabelen in het model stopt:

“Daaruit blijkt dat van de jonge Turken en Marokkanen zo’n tien, elf procent – heel weinig dus – zich primair identificeert als Nederlander. Voor Surinamers en Antillianen liggen die cijfers veel hoger: de helft tot tweederde. Ik heb bovendien gekeken naar het aantal gemengde huwelijken.”

Gaan we voor het gemak even voorbij aan het punt dat ‘zich identificeren als Nederlander’ sociaal-cultureel gezien vaag omschreven en matig indicatief is: Van de Beek neemt deze gegevens dus als constanten mee in zijn model: culturele patronen die je nu kan meten, zijn indicatief voor de rest van deze eeuw. Wolla, Jimmy. Stel je voor dat iemand in 1937 had uitgerekend hoe de demografische verhouding tussen protestanten en katholieke zich zou ontwikkelen tot en met de vroege eenentwintigste eeuw, niet gehinderd door enige kennis van de massale ontkerkelijking die na de oorlog zou optreden! Voor gemengde huwelijken geldt hetzelfde: het is onmogelijk te voorspellen hoe de generatie die nu kleutert zal gaan huwen – en Van de Beek bakt een model dat aannames doet over huwelijkspatronen van de kinderen van onze kleuters. Mijn grootmoeder groeide op in een protestants gezin en trouwde in 1939 met een katholieke man—dat is destijds niet onopgemerkt voorbijgegaan, maar die dingen veranderen, en ze doen dat op een manier die niet te voorspellen is, en niet te vangen in wiskundige modellen.

In steen gebeitelde etnische identiteiten

Het is dan ook volslagen absurd dat Van de Beek – we zijn inmiddels in alinea 3 – veronderstelt dat waar ‘Indonesiërs’ (Indische Nederlanders, thank you very much), Surinamers en Antillianen ‘volledig op gaan in de samenleving’ dit voor Turken en Marokkanen fundamenteel anders zou zijn en ook de komende eeuw zo zal blijven. Van de Beek onderschat denk ik de etnische identiteit van de eerstgenoemde groepen, en overschat die van de tweede, maar het echte probleem zit in de aanname dat dit allemaal in steen gebeiteld zou zijn. Als ik als ‘universitair docent’ even de betweterige classicus uit mag hangen: πάντα ῥεῖ καὶ οὐδὲν μένει. Van de Beek maakt aannames over de toekomst die op geen enkele manier, vanuit geen enkel verleden te verantwoorden zijn.

Het wordt nog erger. De vierde alinea brengt ons de bewering dat miljoenen (!) Nederlanders deel uit zullen gaan maken van ‘transnational communities’ en de claim dat in 2060 13-16% van de Nederlanders moslim zal zijn, van wie 70% ‘de sharia boven onze wetten stelt’. Het percentage moslims dat Van de Beek noemt is aanmerkelijk hoger dan de 10% die Joop de Beer van het   Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut onlangs in NRC noemde, maar vooruit. Wat absurd is, is de aanname dat de religiositeit en de religiebeleving voor de Nederlandse moslims van 2060 te voorspellen is op grond van gegevens uit 2018 – alsof 2018 te voorspellen was op grond van gegevens uit 1976 (hallo, 2001).  Bovendien is religie niet alles – er is ook nog zoiets als taalbeheersing. Hoe zich dat gaat ontwikkelen, laat zich ook maar matig modelleren, maar het schijnt dat men bij de Marokkaanse WK-selectie momenteel onderling Engels spreekt – bij gebrek aan gemeenschappelijke taal. Wat nog absurder is, is dat Van de Beek dit soort selectief gegoochel gebruikt om zich – zonder intrinsieke aanleiding – af te vragen of onze ‘liberale democratie’ wel houdbaar is. Het een volgt totaal niet uit het ander, tenzij je dat graag om ideologische redenen zo voor je ziet.

Westerling worden

Ik kan zo nog doorgaan, alinea na alinea, en het probleem is steeds hetzelfde: Van de Beek kneedt zeer fluïde gegevens uit het heden tot een volledig gefixeerd toekomstbeeld en roept heel hard ‘zie je wel!’. Ironisch genoeg is precies het met veel nadruk genoemde onderzoek van het SCP dat laat zien dat (jonge) Turken en Marokkanen religieuzer worden de nagel aan de doodskist van het hele verhaal: het laat zien dat religiositeit niet stabiel is, maar aan verandering onderhevig. Het is totaal onvoorspelbaar hoe deze trend zich zal ontwikkelen over langere termijn, en over meerdere generaties.  ‘Veel asielzoekers willen helemaal geen westerling worden’, benadrukt Van de Beek omineus. Zelfs als dat nu zo is, dan nog is het onvoorspelbaar hoe dat doorwerkt in de tweede en derde generatie, in een wereld die zich zal blijven veranderen. Mijn opa wilde bij zijn noodgedwongen vertrek uit Indonesië in 1954 ook helemaal geen Nederlander worden, maar zo snel mogelijk naar de Verenigde Staten van Amerika. Het is er nooit van gekomen, en vervolgens nam het leven zijn loop.

We moeten af van dat simplistische, dommige discours waarbij ‘cultuur’ een onveranderlijke, in beton gegoten molensteen is die je fluks, met een halve zin en een rekensommetje voor eeuwig kan verankeren aan hele volksstammen. Dat geldt al helemaal voor zoiets als ‘Nederlanderschap’, en voor de betekenis die je hecht aan de beleving van dat Nederlanderschap voor het functioneren van dit land. Van de Beek maakt een heel punt over de mate waarin de niet-westerse allochtonen van over drie generaties zich zullen identificeren als ‘Nederlander’. Als man, Indo, Brabander, Nijmegenaar, Wassenaarder, Oxfordenees, ‘universitair docent’, progressieveling, classicus, oudhistoricus en archeoloog vind ik labeltjes best belangrijk. Maar nog belangrijker lijkt me dat we in 2060 gewoon een beetje normaal samenleven in Nederland, ons aan wetten houden, de buit een beetje eerlijk verdelen, nog niet door de zee verzwolgen zijn, en het verdomme gewoon een beetje gezellig hebben met elkaar. Of dat allemaal afhangt van identificatie met het Nederlanderschap, en of je dat ooit in een statistisch model kan vangen, waag ik sterk te betwijfelen.

 

A yellow wall, with Theseus and Ariadne

Miko Flohr, 23/04/2018

Pompeii, House of the Tragic Poet. This is the back wall of a luxury dining room in the garden area of this house; the paintings date to the last decades of Pompeii’s existence (AD 50-79). The central panel-picture features a scene identified as Theseus leaving Ariadne behind at Naxos.

A finely decorated road

Miko Flohr, 20/04/2018

At the small, Hellenistic hilltop town of Solunto, on Sicily, the road leading to the small agora of the city started off with a regular paving of rectangular blocks, but for the last 100 meters, it had been embellished by a pavement of bricks laid with all kinds of geometrical patterns. It is one of the very few places where such a pavement has actually stood the test of time – in many other places, such pavements were either replaced already in antiquity or removed afterwards.

A very urban road

Miko Flohr, 19/04/2018

This is Corinth, which was, of course, an ancient Greek city, but in its excavated form mostly goes back to the period after the Roman foundation of a colony: the Greek city was smashed to pieces by the Roman army in 146 BC. The excavations have mainly focused on the forum but they have included the first meters of the road connecting the city to its harbour at Lechaion. As you can see, this was a beautifully paved street, ending in a staircase. It does not have wheelruts, so perhaps, wheeled traffic was entirely kept away from it. The buildings around the street were as monumental as the street itself, and it shows how, in the Roman period, even cities in the provinces could become rather densely monumentalized.

Grumentum: traces of traffic

Miko Flohr, 18/04/2018

This is the central road of the Roman city of Grumentum,  close to the point where it enters the city’s forum (I was standing with my back to the plaza when I took this picture). Well-paved, it was probably about the most intensively used street-section in the city, and wheeled traffic clearly has left its mark on the surface. Yet, as you can see, it was not easy to get to this point – the city was situated on a hill-top which, though not very high, could only be reached over a number of rather steep slopes.

Venosa: an empty street

Miko Flohr, 17/04/2018

One of two excavated Roman streets in the archaeological site of Venosa (Basilicata, Italy). Both clearly are secondary roads – no wheel-ruts are visible, and the amount of interaction between the street and the adjacent house-blocks is limited, and characterized by closed façades only interrupted by the main entrances of the domestic buildings and of the public bath complex to the left of the road.

Beeldenstormen in Rome?

Miko Flohr, 18/01/2018

De Romeinen hebben het groot gemaakt, het oprichten van standbeelden.  Met name in de keizertijd – en dan weer met name in de tweede eeuw van onze jaartelling – verscheen het ene standbeeld na het andere. Keizers, weldoeners, sporters (heel af en toe zelfs een vrouw!). In Pompeii, dat verwoest werd voordat de  standbeeldenmanie goed en wel begonnen was, groeide het forum in de eerste eeuw na Christus in een verbijsterend rap tempo dicht met standbeelden. Je kan er nog maar weinig van zien: de meeste standbeelden zijn vermoedelijk kort na de uitbarsting weggehaald (het forum was makkelijk te vinden, en vrijwel al het marmer was er verdwenen voordat de moderne opgravingen begonnen) en elders hergebruikt, of in een kalkoven beland, maar als je goed kijkt zie je op en om het plein overal voetstukken, vaak met een inscriptie die vertelt wie er ooit stond, en wat deze persoon zoal op zijn kerfstok had.  Ook elders in de stad vind je standbeelden – in het theater, rondom tempels, en op een paar plekken zelfs op de stoep. In Herculaneum richtte men in de eerste eeuw zelfs een plein in voor de man die destijds de belangrijkste weldoener van de stad was – Marcus Nonius Balbus (zie de foto hierboven).

Of de Romeinen ook standbeelden weghaalden? Dat is moeilijk te zeggen – wat weggehaald is vind je immers niet meer terug. De Romeinen zijn natuurlijk de uitvinders van de damnatio memoriae, maar op veel plekken vind je (resten van) beelden of zelfs beeldengroepen die het de hele keizertijd hebben volgehouden – met name de ‘goede’ keizers hielden lang stand – een standbeeld van Augustus of Trajanus werd niet zomaar weggehaald. Tegelijkertijd vind je ook talloze aanwijzingen dat het beeldenlandschap van steden in de loop der tijd kleine en grotere veranderingen onderging – met name de hoofden van beelden konden vervangen worden of, nog basaler, worden bijgehakt.  Ook brons was niet per se voor de eeuwigheid: het standbeeld op de foto hieronder – in het museum van Baiae – heeft het kapsel en het hoofd van Domitianus (81-96), maar het gezicht van zijn opvolger Nerva (96-98). De club die dit beeld in bezit had had blijkbaar geen geld om het te vervangen, maar moest, na het einde van Domitianus, wel van de in ongenade gevallen keizer af. De beelden van Vespasianus en Titus – de directe voorgangers van Domitianus – bleven overigens staan: een paar decennia terug zijn de drie beelden samen teruggevonden in Misene, bij Napels. Belangrijker was echter dat stedelijke ‘beeldenlandschappen’ voortdurend bleven groeien: er werden niet per se veel standbeelden weggehaald, maar er kwamen wel voortdurend nieuwe beelden bij.

Romeinen legden, als ze er de middelen voor hadden, hun publieke heden vast in beelden van marmer en brons, en dat leidde na verloop van tijd tot steden die vol stonden met het verleden. Standbeelden stonden overal in de Romeinse wereld – in steden, in heiligdommen, en in publieke gebouwen, en werden – in tegenstelling tot wat in ons straatbeeld gebruikelijk is – ook vaak door een flink aantal andere beelden omgeven: in Romeinse steden consumeerde je beelden groepsgewijs, niet in isolatie. Voetstukken waren soms best substantieel, maar veel vaker relatief bescheiden – zeker als het om gewone stervelingen ging: voor de keizer golden (deels) andere normen. Beelden stonden ook lang niet altijd middenin de ruimte, maar veel vaker aan de zijkant, of in een nis. Marcus Nonius Balbus (hierboven) was, in dat opzicht, een uitzondering (als de reconstructie uit de jaren ’30 tenminste correct is…). Als men dus als marmeren of in brons gegoten Romein al van een voetstuk geduwd werd, viel men niet diep, en liet men geen gapende leegte achter.

Het is interessant de verschillen te benadrukken. Ten eerste richt men in de Romeinse wereld slechts zelden standbeelden op voor daadwerkelijk historische figuren – de meeste standbeelden vereeuwigden het heden of, op z’n best, het recente verleden. Ten tweede, en belangrijker, zou je kunnen zeggen dat, in zekere zin, de Romeinse herinneringscultuur de nadruk legt op individuen als onderdeel van een grotere groep, waar in de westerse herinneringscultuur ruimtelijk een veel sterkere nadruk ligt op het individu in isolement. Dat verschil zit hem in de hoeveelheid standbeelden, maar ook in de ruimtelijke positionering. De ‘moderne’ benadering maakt ook dat de positie van een standbeeld van een individu waarvoor men nu geen standbeeld meer zou oprichten, een stuk controversiëler: er is visueel vaak geen ontkomen aan, en er staan geen anderen omheen die de aandacht af kunnen leiden. In dit opzicht hadden de Romeinen het misschien deels wat beter voor elkaar.

De waarheid, de wetenschap en de mens

Miko Flohr, 23/12/2017

Van alle wetenschappelijke takken van sport is de studie van de mens veruit het meest complex. Deels is dat een probleem van praktische aard. Menselijk gedrag is vrijwel onmeetbaar, slecht modelleerbaar, vaak onbegrijpelijk buiten een specifieke context en in alle opzichten mateloos gevarieerd: het is voortdurend aan verandering onderhevig, en wat je op de ene plek dagelijks ziet, zul je op de andere tevergeefs zoeken. Wat nog komen moet is onvoorspelbaar, wat er is, is ongrijpbaar, en wat geweest is wordt in hoog tempo fragmentarisch—dat wat je morgen wil weten, blijkt gisteren per ongeluk te zijn weggegooid. Voordat je het menselijke goed en wel onder woorden hebt gebracht, is alles alweer anders. Πάντα χωρεῖ καὶ οὐδὲν μένει (*).

Tegelijkertijd is er een nog veel fundamenteler obstakel: is de mens eigenlijk wel in staat zichzelf te onderzoeken? Waar het in de exacte wetenschappen, en deels ook in de medische wetenschappen, nog enigszins mogelijk is om klinisch een probleem in kaart te brengen, verkruimelt de distantie wanneer de mens het menselijke onderzoekt. Dat is (volgens mij) vrijwel onvermijdelijk: we dwalen niet als onbeschreven bladen door de wereld die we bestuderen, maar worden gedreven en gestuurd door allerlei ideologische, culturele en religieuze preoccupaties—en de meest fundamentele preoccupaties hebben betrekking op wie we zijn, hoe we (samen)leven, waar we vandaan komen en waar het met de mens naartoe moet. Iedere wetenschapper die mensen onderzoekt – in het nu of in het verleden, vlak bij huis of heel ver weg – verhoudt zich tot zijn onderzoeksobject, en die verhouding is eigenlijk per definitie ideologisch gekleurd – of je je nou met Romeinse keizers bezighoudt, met leprozen in de middeleeuwen, of met sociale fragmentatie in het Europa van de vroege eenentwintigste eeuw. Dit geldt bovendien niet alleen de wetenschapper zelf, maar zeker óók zijn publiek.

Ware, ‘objectieve’, onveranderlijke wetenschappelijke kennis is dan ook, als het over mensen en samenlevingen gaat, vaak een illusie, en dat is het des te meer zodra (1) de thema’s dichter bij huis komen en de ideologische ‘ballast’ die de onderzoeker meetorst zwaarder weegt, en (2) de analyse zich meer richt op alledaagse situaties, die je nauwelijks kan meten, maar die wel heel bepalend voor allerlei belevingswerelden kunnen zijn. Niets zo moeilijk in objectieve termen te vatten als het microniveau van alledag in onze eigen samenleving – als het over de betekenissen dagelijkse sociale en culturele processen gaat, is de empirie in veel opzichten een tandeloze tijger, en is het al heel wat als je woorden kan vinden waarmee je je observaties breed kan communiceren. Moeten we dat dan maar niet op wetenschappelijk niveau bestuderen? Dat zou een vergissing zijn: mensen ontlenen betekenis aan, en worden zichzelf via alledaagse ontmoetingen. Inzicht in dat soort menselijke processen behoort tot de meest fundamentele vormen van wetenschappelijke kennis—het is alleen verdomd lastig te verkrijgen.

Gloria Wekker begeeft zich op een terrein waar dit probleem zo ongeveer het hevigst speelt: haar onderzoek speelt in het hier, in het nu, en gaat over een onderwerp dat in Nederland ideologisch extreem beladen is, en waarover het extreem lastig is goede gegevens te verzamelen. Je kan vinden dat ze wel erg stellig is in hoe ze het opschrijft, en je kan (met mij) vinden dat ze wel erg veel uit haar eigen ervaringen put, maar iedere analyse van haar werk zou moeten vertrekken vanuit de observatie dat het nog niet zo simpel is om een boek te schrijven over de manier waarop het postkoloniale ‘culturele archief’ zich uit in het Nederland van 2017, en over alle kleine (en grotere) gebeurtenissen waaruit de inhoud van dit ‘culturele archief’ duidelijk wordt. Daar komt nog bij dat de lezers van Wekker niet als onbeschreven blad tot haar werk komen – daarvoor is het onderwerp veel te beladen in ons land. Iedereen die in White Innocence leest doet dat vanuit een ideologisch gekleurde positie. Ook ik. En ook gij, Theepot. Is het mogelijk om ‘objectief’ over racisme te schrijven in een samenleving waarin je zelf leeft? Vermoedelijk niet. Is dit thema wetenschappelijk onderzoek waard? Hell yeah, en liefst door zoveel mogelijk verschillende mensen.

Wat Wekker doet staat in een duidelijke methodologische traditie die gevormd is vanuit precies deze problematiek: hoe bedrijf je wetenschap op een terrein waar de ‘wetenschappelijke methode’ van de harde sciences niets te bieden heeft? Hoe kom je van een observatie tot iets dat je betekenis zou kunnen noemen, zonder te verzanden in anekdotes?  Wekker vertrekt vaak vanuit een specifieke situatie, en extrapoleert die dan via literatuur.  Het is gemakkelijk om vanaf de zijlijn te roepen dat het allemaal statistisch significant onderbouwd moet worden, maar bij veel van de situaties die ze bespreekt is dat simpelweg niet aan de orde. Is het daardoor minder objectief? Ja, ongetwijfeld. Is het minder wetenschappelijk? Nee. Het bouwt voort op en draagt bij aan een duidelijk wetenschappelijk discours, en zal de komende jaren ongetwijfeld vertrekpunt zijn voor allerlei wetenschappelijk onderzoek dat het ‘model’ van Wekker van cachet zal voorzien, of zal doen wankelen.

Wekker is niet de enige die zo werkt. Hoe dacht u dat we, bijvoorbeeld, radicalisering onderzoeken? Ook daarvoor zijn onderzoekers (deels) gebonden aan close reading en thick description (*) van soms heel fluïde, nauwelijks te verifiëren situaties, en hangt veel af van vaak direct betrokken bronnen met zelf slechts beperkte kennis. Toch kun je langs deze weg tot duurzame inzichten komen. Het kost veel tijd en moeite, en vooral debat, want waar wetenschap over mensen gaat, gaat zij niet over absolute waarheden. Dat kan ook helemaal niet, en het is hoog tijd dat de manier waarop wij over wetenschap praten zich weg beweegt van de door natuurwetenschappen ingegeven objectiviteitsdrang. Wetenschap gaat, in essentie, ook helemaal niet over weten, maar over begrijpen en verklaren, en over het onder woorden brengen van allerlei complexe werkelijkheden, die er door verschillende ogen vaak anders uitzien. Daar heb je soms niet zozeer statistiek voor nodig, als wel een scherp oog, een dikke pen, en de confrontatie met het werk van anderen, die vanuit een andere (ideologische) positie naar een vergelijkbaar probleem kijken. Wetenschap over de wereld van de mens is een gesprek, waarbij vooral belangrijk is welke inzichten op langere termijn beklijven. Of die van Wekker daarbij horen, zal de tijd leren.

 

Waking up the sleeping giants? Towards a richer and more inclusive research environment in the Social Sciences and the Humanities

Miko Flohr, 16/11/2017

This is the text of a brief essay that I presented at the synergy conference of NWO’s Social Sciences and Humanities division held in Utrecht, on 16 November 2017.  

When I heard that NWO was going to merge its humanities and social sciences domains, I had my reservations – as had many colleagues. These were two large domains; they each had their own distinct character, and each already represented an exceptionally broad disciplinary paradigm. What good could come out of this? Yet the cautious way in which NWO is implementing the merger has, at least for now, taken away some of my doubts, and it is true that the new social sciences and humanities domain also offers some great opportunities, especially if it will be able to tweak funding instruments to the needs of the researchers that it serves.

In this way, the merger also would make sense:  while there are many differences between the social sciences and the humanities that cannot and should not be bridged, the two domains find each other in their institutional context: both humanities and social sciences faculties include a lot of academics whose careers primarily develop around teaching. Many of these lecturers are actually brilliant researchers, and they could produce work of the highest quality, but once they are more than a year or five beyond their Ph.D., and once they have missed the first major funding opportunities because they were too busy teaching, it becomes very hard for them to get a grant – they generally do not have the CV for the bigger grants, and there are very few grants for personal development after the VENI.

These lecturers are our sleeping giants. Their current situation is bad for them, but it is also bad for the social sciences and humanities as a whole, as a lot of intellectual capital is not being mobilized. Most research is being done by grant-holders, by their Ph.D.-students and by their postdocs, while ‘normal’ lecturers have few opportunities to enrich their teaching with exciting new research of their own. As many postdocs and Ph.D.-students move on to careers outside the university when large projects finish, a lot of ‘new’ research expertise is leaking away from academia. As teaching in many disciplines in the social sciences and the humanities is one of the most powerful vehicles for knowledge utilization, the impact of NWO-funded research is under pressure.

There is no doubt that the merger makes it easier to address these problems. Moreover, it is not a matter of inventing the wheel: good funding instruments already exist elsewhere. One example is the mid-career fellowship of the British Academy, which plays a key role within the Social Sciences and the Humanities in the UK by giving experienced academics two or three years research time and a bit of money to complete a major piece of research. This is not expensive, and it really helps. Arguably, we need to wake up our sleeping giants. Targeting this group with effective funding instruments would make our research environment richer, and more inclusive – and this would be one of the best forms of synergy that the new domain can possibly achieve.