Pottery (6) – Etruscan Black (Central Italy, 650-600 BCE)

Miko Flohr, 14/09/2020

Pottery traditions in Italy developed according to a different trajectory than in Greece. In 7th century BCE Etruria, this results in this fine, black pottery which is known as ‘Bucchero’. Bucchero could not be painted, but often was decorated in relief, or, as here, with notched or scratched patterns. It has been argued that potters are trying to imitate bronzework, though this is much rarer. It is important to see Bucchero in its broader context. Etruria was well-connected, and Etruscans liked Greek stuff, too. Even where find contexts are completely dominated by Bucchero, it is common to find fine vases imported from Greece alongside local products.

New York, Metropolitan Museum of Art, 21.88.146.

Pottery (5) – A hound in two colors (Corinth, 670-650 BCE)

Miko Flohr, 11/09/2020

On this vase, we see something new. Even if, in composition it resembles the vase with the two lions from Attica, it is of a much higher quality, but what is more, it employs two different colors – besides the light background, it uses black and a red color. Moreover, the details in the neck and the head are no longer painted, but incised, which allows for much greater detail.

London, British Museum, 1860,0404.18

Pottery (4) – Perfume flasks (Pithekoussai and Corinth, 700-690 BCE)

Miko Flohr, 10/09/2020

Two so-called ‘aryballoi’, which were used to store perfumed oil. Both date to the early seventh century BCE, but the slightly larger one on the left was made in Italy, on the island of Ischia, at Pithekoussai, while the smaller one on the right comes from Corinth and prefigures a way of decorating that would become quite prominent here later in the same century.

London, British Museum, 1969,1215.1 and 1950,0124.2.

Honderd jaar

Miko Flohr, 26/07/2020

Vandaag, 25 juli 2020, is het 100 jaar geleden dat oma geboren werd. Het enige dat ik van haar geboorteplaats weet, is dat Sukarno er ook geboren werd, en dat er een trein doorheen reed. Dat laatste nam ik eigenlijk vooral aan – haar vader werkte bij de spoorwegen als machinist en opzichter – maar het blijkt te kloppen. Modjokerto ligt nog steeds aan de spoorlijn tussen Surakarta en Surabaya. De stad heeft, sinds de onafhankelijkheid, een ‘d’ verloren, en heet nu Mojokerto. Je kan er gaan kijken, via Google, maar eigenlijk snap je dan niks van wat je ziet. Je kan staren naar de vele tientallen nietszeggende oude foto’s die circuleren op het internet—welke Indische familie heeft eigenlijk niet het foto-archief gedigitaliseerd de laatste jaren? Ik ken de plek niet waar ze geboren werd, en die is inmiddels ook grotendeels onkenbaar geworden.

Het postkantoor van Modjokerto, ca. 1930

Oma is de enige grootouder met wie ik ben opgegroeid – de andere drie grootouders stierven toen ik nog klein was. Negentig is ze geworden, en ze heeft, in relatieve eenvoud en bescheidenheid, een monumentaal leven geleid – zoals zovelen van haar generatiegenoten, waar ook ter wereld. Zelf zou ze dat denk ik niet zo geformuleerd hebben. Het was wat de Heer voor haar generatie in petto had, zou ze denk ik gezegd hebben, desgevraagd. Maar echt gevraagd heb ik het eigenlijk nooit.  Monumentaal is misschien ook te verhullend, maar een beter woord kan ik niet vinden. Het drukt het beste het contrast uit tussen hoe ik haar kende, en wat er zich afgespeeld had voor ik er überhaupt was, en waarvan ik nog steeds maar flarden en hoofdlijnen weet – het verhaal van opa, die de oorlog doorbracht als krijgsgevangene in Japan, en de rest van zijn leven gebukt ging onder de last van de jaren veertig, was altijd beeldbepalender. Het verhaal van oma is pas de laatste jaren boven komen drijven.

Mijn grootouders trouwden in 1939, en vertrokken daarna vanuit Semarang op Java naar het verre Sumatra, waar mijn grootvader emplooi had als boekhouder bij de Bataafse Petroleum Maatschappij op de grote raffinaderij van Pladjoe. Twee kinderen werden geboren nog voor de Japanners zich begin 1942 in de regio meldden. Bij de gevechten rondom Pladjoe werd mijn grootvader – betrokken bij het onklaar maken van de raffinaderij – krijgsgevangene gemaakt, en vluchtte mijn oma, met twee kleine kinderen, halsoverkop per trein en boot naar Java – luttele uren voor de oorlog uit. In Semarang wachtte uiteindelijk, onvermijdelijk, de internering. Ze eindigde in het kamp Lampersari-Sompok midden in de stad—bij toeval vond ik haar naam op de lijsten die het Rode Kruis meteen na de Japanse overgave maakte – ze staat erop als Ch. E. ‘Fleur’, want ook in 1945 struikelde men al over de ‘oh’ in onze naam. In het kamp verloor ze op 24-jarige leeftijd haar moeder, die op dezelfde plek geïnterneerd was; niet veel later stierf ook een zus.

Na augustus 1945 veranderde het krachtenveld, maar ging de oorlog in feite door. Opa keerde na een aantal maanden terug uit Japan, maar moest vrijwel meteen weer onder de wapenen, en het herenigde gezin volgde hem naar Makassar. Pas na 1946 keerden mijn grootouders terug op de plek waar ze in 1939 aan hun toekomst begonnen waren. Het gezin breidde zich in die jaren uit tot zes kinderen. Op de foto hierboven zijn het er nog vijf; de baby, dat is mijn vader.

Pladjoe

Tussen 1947 en 1954 woonde de familie in de BPM-wijk in Pladjoe, en werkte mijn grootvader bij de raffinaderij. Het moeten vreemde jaren zijn geweest, al ken ik weinig details: het stormachtige begin van de nieuwe Republiek Indonesië, het definitieve verdwijnen van de wereld van hun jeugd, de trauma’s van de oorlog, het massale vertrek van Nederlanders en Indo-Europeanen. Was er nog wel toekomst in dit land? De overwegingen en het tijdpad kan ik niet precies reconstrueren. Men zegt dat opa het liefst naar Amerika wilde, maar dat dat onhaalbaar bleek. De afloop is welbekend: eind 1954 gaat oma met vijf kinderen de boot op (één was al in Nederland), iets later komt opa hen achterna. Op kerstavond komen ze, na een zeereis van drie weken, aan in IJmuiden. Wat volgt is een tijd in gastpensions – eerst in Oosterbeek, later in Doorwerth – en vervolgens, uiteindelijk, een huis. Het was toen inmiddels, meen ik, 1956 of 1957, misschien nog iets later. De echo van deze vijftien jaar galmt nog immer na in de familie.

En oma? Lang heb ik gedacht dat mijn oma zo katholiek was omdat oude mensen nou eenmaal zo waren opgegroeid. Niets is minder waar. Mijn oma kwam sowieso uit een gemengd protestants-katholiek gezin: ze omarmde het katholieke geloof toen ze les kreeg van de nonnen. Maar na de oorlog, en in Nederland, werd de kerk belangrijker voor ze. Misschien als reactie op wat er gebeurd was in de oorlogen. Misschien als houvast, in een nieuw, onbekend land. Later – ik was er al – trokken mijn grootouders zelfs kort in bij een gezelschap dat zich volledig wijdde aan het geloof – om er overigens ook snel weer te vertrekken. Vakantiebestemmingen waren Lourdes en Medjugorie. Het lijkt erop dat haar levensloop de geloofsbeleving van mijn oma geïntensiveerd heeft. Hoe dan ook: het heeft haar getekend, al kon je niet altijd goed zien hoe. Het ticket van de grote reis naar Nederland heeft ze in ieder geval altijd bewaard: we vonden het in haar paperassen, in 2010.

Het leven van mijn oma werd getekend door de omstandigheden op een manier die voor mijn generatie nauwelijks te bevatten is, maar die ook ons definieert. Haar ontworteling is, in wezen, onze worteling – zelfs al was het zelden of nooit onderwerp van gesprek. Zelfs al weten we heel veel ook niet. Het is een verhaal dat ik zal doorvertellen aan de volgende generatie, en deels al aan het doorvertellen ben. Een migratieachtergrond is veel meer dan alleen een etniciteit – het is een verhaal dat bepaalt hoe je je verhoudt tot de plek waar je leeft. Een verhaal ook dat iedere generatie, welhaast per definitie, opnieuw schrijft, en ook steeds weer herschrijft. Maar vraag me dat over tien jaar nog maar eens.

N.B.: in een eerdere versie stond dat oma pas katholiek werd toen ze met mijn opa trouwde – dat is niet waar. Haar moeder was katholiek, haar vader gedoogde dat, en zo kreeg ze onderricht bij de nonnen.

Laat Johan Derksen vooral met pensioen gaan, maar dat alleen lost nog niets op

Miko Flohr, 28/06/2020

Die Johan Derksen. Jaar na jaar fakkelde hij iedereen af die het waagde een wenkbrauw boven het maaiveld uit te steken, bleken zijn racistische grappen en grollen ineens toch ingehaald door de tijdgeest. Ik moet toegeven: ik kan me ergens wel indenken dat het wat onrechtvaardig voelt dat het nou net gebbetje 9376 is die de adverteerders te veel blijkt. Ik geloof bovendien zo dat hier geen enkele sprake is van oprechtheid, maar van een zuiver opportunisme waarbij iedereen halsoverkop achter elkaar aan dendert zonder dat iemand echt goed heeft nagedacht – na het eerste persbericht sloot iedereen zich aan uit angst om als laatste achter te blijven. De adverteerders verdienen beslist geen standbeeld voor hun plotse daadkracht: Derksen nu opeens alsnog laten vallen is erg weinig, erg laat, en erg reactief.

En toch is het goed als het nu klaar is. Natuurlijk is dat goed. Laat Johan Derksen vooral met pensioen gaan. Het kleine, alledaagse geginnegap zoals dat aan de stamtafel van Derksen gedebiteerd wordt, onder het mom van ‘ach, dat doet toch iedereen gewoon joh’, en dat week-in-week-uit door honderdduizenden Nederlandse huiskamers schalt, rechtvaardigt racistische, homofobe en seksistische bakerpraatjes op terrassen en familiefeestjes in het hele land. Als Derksen inderdaad definitief van zijn voetstuk lazert maakt dat duidelijk dat het niet per se normaal is als moppentoppers grove ‘grappen’ maken over groepen landgenoten waartoe zij pertinent niet behoren of zouden willen behoren. Het is dat schertsende, arrogante omlaag trappen, en het bijbehorende homerische gelach, dat Nederlanders in gezelschap soms onuitstaanbaar maakt, en dat een nagel is aan de doodskist van onze vermeende nationale ‘tolerantie’.  

Maar met alleen Derksen zijn we er niet. Het is, de facto, nog niet eens een serieus begin. En dat is natuurlijk waar de schoen een beetje wringt in dezen: Derksen is een publiek symbool, en een haffel protestmodder de verte in werpen is het makkelijke, veilige werk. De inleidende beschietingen, zo u wilt. De echte strijd, die zullen velen vooral ook in de directe omgeving moeten voeren. Door grenzen te stellen aan wat ze normaal vinden. Door te protesteren. Te benoemen. Te confronteren. Het zogeheten ‘gesprek’ aan te gaan. Dat is totaal niet makkelijk, en totaal niet veilig. Maar er verandert niets zolang we racistische stereotypen in onze eigen omgeving tolereren, wegkijken en zwijgen als er weer eens iemand begint over dat ‘die mensen hier ook maar te gast zijn’, of ‘dat het toch juist leuk is om zo’n grappige kindervriend te zijn!’ of nou ja, vul die passief-agressieve grap over die schaal met Buys’ Zoenen zelf maar in. Dat laten gaan, en wel fulmineren over Derksen op Twitter – dat is weinig. Erg weinig.

Lang niet iedereen leeft in een bubbel die vrij is van onwelriekende oprispingen, al bent u beslist gezegend als dat wel zo is. De strijd tegen racisme (en seksisme, en homofobie) moet ook onder familie en vrienden gevoerd worden, en ja, daar doet het vaak pijn, en kan het soms veel op z’n kop zetten. Ik duik er zelf ook vaak voor weg. Dan laat ik het gaan, om de lieve vrede, of klik ik het weg, op Facebook. Er zijn op ieder moment duizend praktische redenen om toch weer niet die confrontatie aan te gaan, zelfs al is de walm van de stereotyperingen niet te harden. Het is feest, laten we het een beetje gezellig houden. Het is maar Facebook, en een doorgeplaatste post, en ik heb morgen drie deadlines, en geen tijd voor een discussie. Of praktischer: waar te beginnen? Hoe zorg ik dat iemand begrijpt wat ik wil zeggen en niet meteen de welbekende ‘maar-nu-noem-je-me-een-racist’-schwalbe maakt? Ik vind het niet heel makkelijk – maar het is uiteindelijk misschien wel belangrijker dan die routinematige haffel modder richting een publieke kop van jut.

Natuurlijk helpt het daarbij als er publiek debat is over wat de grenzen aan het betamelijke zijn: dat de ‘grappen’ van Derksen c.s. nu onder een vergrootglas liggen, helpt. Dat steeds meer mensen afscheid nemen van Zwarte Piet, helpt ook. Dat er brede, institutionele erkenning is voor het systemische racisme dat de Black Lives Matter protesten aankaarten is heel belangrijk. Het maakt dat moeilijke gesprek wellicht een fractie makkelijker – niemand kan redelijkerwijs beweren dat het slechts een klein groepje progressieve extremisten is die wil dat we die witte spruitjeslucht eindelijk achter ons laten. Het is een idee dat breed, en steeds breder, gedragen wordt in de samenleving. Maar dat adverteerders nu weglopen bij Derksen – of, volgende week, bij iemand anders – is niet meer dan een gemakkelijk beginnetje. Het echte werk, dat moet gebeuren waar het moeilijk is. Op feestjes. Op terrassen. Op Facebook. In de interactie met mensen die soms veel dichterbij staan. En dat zal niet altijd tot succes leiden.

Global Romans (8) – The pandemic of the second century CE

Miko Flohr, 31/03/2020

It was in 162 CE that plague struck Chinese army camps in two western provinces of the Han Empire. The disease was bad: sources report that three or four out of ten soldiers died from the illness, and the amount of detail available suggests this was, at least in the perception of the Chinese, one of the more lethal epidemic attacks of the Han era. More worryingly, it did not stand on its own. Late antique sources report the outbreak of 162 had been preceded by an outbreak in 161, and was followed by outbreaks in 171, 173, 179, 182 and 185. We lack specific information about the geographical spread and lethality of these outbreaks, but their chronological clustering is peculiar: seven of the eleven known episodes of epidemia dating to the second century CE were dated between 161 and 185. In China, there is no 25 year period with a higher number of known outbreaks in the entire first millennium CE – though the historical record seems pretty consistent in its quality.

Relief from honorary arch showing Marcus Aurelius sacrificing (Capitoline Museums, Rome, Wikimedia)

It was only a couple of years later that, right on the other end of the Silk Road, Roman soldiers started to become sick and die. As they were defeating the Parthians, and (re)conquering parts of Mesopotamia, the legions, led by co-emperor Lucius Verus, were struck by an unknown, lethal disease that turned out extremely contagious. In 165, it broke loose in Nisibis, which is now in southeast Turkey, and in Sardis, in Asia Minor. In 166, it reached the Roman metropolis, and decimated the population – exact figures are not knowable, but there is no doubt that the city suffered a direct and harsh hit.

From Rome, the disease swiftly spread over the rest of the empire. In 168, it killed Lucius Verus in Northern Italy, leaving Marcus Aurelius as sole emperor. As in China, the disease was not done after the first wave: throughout the late 160s and 170s, and into the 180s, outbreaks are recorded in various places in the Roman empire. There was an outbreak in Soknopaiou Nesos in the Fayum in Egypt, in 179, reducing the amount of taxpayers by as much as one third in barely two months. In 182, there was an outbreak in Noricum, in what is now Austria. In 189, the plague flared up again, in Rome. According to sources, the disease claimed two thousand lives a day in this late episode.

The Antonine Plague, as it has become known, marks a watershed in Roman History. Its impact has been heavily debated. Some have seen it as the big external shock that brought down the Roman economy, and it is certainly true that, in certain parts of the empire, things would never be the same again afterwards. Others have championed a more mildly devastating narrative. Yet, was this the same disease that also wreaked havoc Han China? The idea is certainly appealing, though we do not know enough details of what happened in China to be sure it was the same disease that occurred in Rome. The timing is suspicious, and the recurrence of outbreaks, in both the Far East, and in the Far West, over several decades surely suggests something similar is going on. Perhaps, what is commonly known as the ‘Silk Road’ in the 160s CE functioned more as a kind of Pandemic Highway.

This does not mean that the ‘Antonine Plague’ originated in China – after all, both in China and in the Roman world, the disease occurred, early on, in regions closer to the end of the Silk Road. This may suggest that the pandemic – if it is the same disease – actually originated in Central Asia. Moreover: some caution is needed, as there are no direct parallels in antiquity. For instance, there are no indications that the Cyprianic plague of the 240s and 250s made it to China, and the same is true for the Justinianic plague of the 540s. The epidemics of the 630s and 640s in China have no parallel in the Mediterranean. It may all be a coincidence. In a way, however, that does not matter: the story of the Antonine plague and its parallels in China makes clear that at least in thinking about what was going on, a global perspective is required.

References

R.P. Duncan Jones (1996), ‘The Impact of the Antonine Plague’, Journal of Roman Archaeology 9, 108-136.

W.H. McNeill (1976) Plagues and Peoples (New York), esp. Appendix 1, ‘Epidemics in China’.

Global Romans (7) – Gan Ying and the Great China of the Far West

Miko Flohr, 03/03/2020

One thing that ancient historians cannot do often enough is emphasizing that, right at the moment when Rome was reaching its greatest hegemony over the Mediterranean and Europe, there was an empire right on the other side of the world that was at least as large, and at least as populous as the Roman Empire, and had an equally complex political and cultural system.

Rome and China

We do not need to choose which of the two empires was greater – Rome and Han China never were direct rivals; they very clearly were in the same league when it comes to imperial size and complexity, and were both unprecedented in their own region. They both lasted an unprecedentedly long time, and left a lasting mark on the future development and historical perception of their regions in the millennia to come. And, yes, they were both on each other’s mental horizon – if only just.

Painted ceramic statues of Chinese cavalrymen from the Western Han Dynasty (202 BC – 9 AD), now located at the Hainan Provincial Museum.

For the Romans, China was the mythical land of silk, where people lived for more than 130 years. For the Chinese, Rome was the Great China of the Far West, where they consumed large quantities of silk – I leave it to the reader to decide which of the two accounts seems more accurate.

China to Rome

By the late first century CE, the Han Empire had survived its dynastic crisis and was asserting control over large areas to the west of its original Chinese heartland, particularly along the overland route towards the Far West – the Silk Road – which had emerged in the last centuries BCE.

As part of this policy, the general leading the effort in the West – Ban Chao – in 97 CE decided that it was time that someone close to the Han court saw the Romans with his own eyes, and sent Gan Ying to the Far West. The details of the trip – which supposedly was the first of its kind – have been recorded in the Hou Hanshou (‘Book of the Later Han’), a history of China covering the first two centuries of our era, compiled in the fifth century CE.

Gan Ying, unfortunately, never made it to Rome: he arrived in Mesopotamia, and may even have reached the shores of the Mediterranean, but the Hou Hanshou states that he was then dissuaded from the ‘dangerous’ crossing of the sea by the ‘sailors of the western frontier’ of the Parthian Empire – they basically told him that it could take him anything between three months and two years, and that he might as well die in the process. Gan Ying then backed off and returned to China.

The Roman Empire according to the Chinese

Still, this first known traveller from China to the Far West is thought to have acquired quite a bit of information about the Roman Empire. The Hou Hanshou mentions that the Empire had four hundred cities, which were surrounded by stone town walls. It also comments on Rome’s coinage system, which used gold and silver, and on its trade with Parthia and India, and asserts that the Romans had wanted to send embassies to China, but were blocked by the Parthian Empire, which did not want to give up its privileged trading position.

Not all information is accurate – Gan Ying apparently was told that Roman ‘kings’ were not permanent, and would happily accept any demotion – which cannot possibly have been further from the truth. Nevertheless, the Hou Hanshou offers a valuable insight into Chinese perspectives on the Roman Empire. It also is significantly more detailed than any report on China from the Roman side – For ancient historians, one remarkable (and unusually humbling) aspect in the study of contact between China and Rome is that the sources actually mostly come from the other side of the disciplinary rift.