Backpay

Drie weken na de geboorte van hun tweede kind werden mijn grootouders ruw gescheiden. De Japanners waren in aantocht, en eind januari 1942 vertrok mijn oma met mijn oudste twee tantes halsoverkop van Palembang naar Java – twee weken voor de oorlog uit. Mijn opa bleef achter. Ik weet niet of hij dat zelf wilde, maar hij had weinig keus: sinds de aanval op Pearl Harbor was hij, als dienstplichtige, gemobiliseerd en werd met zijn eenheid geacht de BPM raffinaderij van Pladjoe te verdedigen of, indien nodig, onklaar te maken.

Het werd natuurlijk dat laatste, want het KNIL was geen serieuze partij voor het Japanse leger, en de afloop is bekend: het KNIL capituleerde, en gelegerde eenheden werden krijgsgevangen gemaakt. Uiteindelijk belande mijn opa in Fukuoka, waar hij slavenarbeid verrichte in de mijnen tot de dag waarop Japan capituleerde. Krijgsgevangene omdat hij – door de koloniale gezagvoerders gedwongen – vocht in een strijd die niet te winnen was.

Nooit meer de oude

Het zou tot december 1945 duren voordat mijn opa zijn vrouw en kinderen terug zou zien – in Balikpapan, waar mijn grootvader – vers uit het kamp – op het punt stond om op nieuw (gedwongen) onder de wapenen te worden gebracht: begin 1946 liep hij patrouilles rondom Watampone, op Sulawesi, later zat hij in Makassar – gedwongen medeplichtig aan de amechtige pogingen van de Nederlandse staat een onafhankelijk land opnieuw te koloniseren. Pas ver in 1947 mocht hij terug naar huis, of wat daar nog van over was.

Mijn opa werd na de oorlog nooit meer de man die hij daarvoor was. Hij heeft de last van die jaren de rest van zijn leven met zich meegesleept. Mijn tantes, mijn oom, mijn vader – ze hebben niet de vader gehad die ze hadden kunnen hebben als mijn opa niet door het Nederlandse koloniale gezag onder de wapenen was gebracht. Het is zijn koloniale dienstplicht geweest die aan de basis stond van wat hem, zijn broers, en vele anderen in de oorlog is overkomen, en van het trauma dat zij vervolgens meesleepten.

Als een baksteen

De Nederlandse staat heeft mijn opa nadat de oorlogen verloren waren bot gezegd als een baksteen laten vallen. Het was na de onafhankelijkheid nadrukkelijk niet de bedoeling dat mensen als hij naar Nederland zouden komen: Indonesië was, zo vond men in Holland, een veel betere plek voor al die ‘Oosters georiënteerde’ Indo-Europeanen, en of ze niet beter voor het Indonesische staatsburgerschap zouden kiezen. Toen ze uiteindelijk, in 1954, dan toch maar naar Nederland gingen – het water stond hen aan de lippen – bleken alle diploma’s uit de kolonie ongeldig, duurde het jaren voordat er een huis was, en was er voor het trauma van de oorlogen in Azië geen plek in het land waar iedereen in het verzet had gezeten.

Maar het meest schofterige was dit: de Nederlandse staat zei doodleuk tegen mijn opa en alle mannen die met hem in Japan hadden gezeten (of in Birma), dat ze konden fluiten naar de soldij van de 41 maanden dat ze krijgsgevangene waren geweest. Natuurlijk hadden ze recht op het geld, zei de dominee, maar, zo sprak de koopman, helaas was de instantie die dat geld zou moeten uitkeren – Nederlands-Indië – failliet, en waren de schulden overgenomen door Indonesië, dus of ze wellicht even met Jakarta wilden bellen?

Hoorzitting Tweede Kamer (1979)

Genegeerd, gemarginaliseerd, gebagatelliseerd

Mij opa stierf in 1983 toen hij 69 was, en ik bijna zes. Zou hij ouder geworden wanneer hij minder getraumatiseerd uit de oorlog was gekomen, en Nederland, in woord en daad, had erkend waarmee hij door het koloniale gezag was opgezadeld? Je mag zo niet denken, maar ik heb het me vaak afgevraagd, en eigenlijk denk ik dat ik ook wel een antwoord weet. Wat ik in ieder geval zeker weet is dit: de pijn van de manier waarop mijn opa geschoffeerd is wordt nog altijd daadwerkelijk gevoeld door zijn kinderen – inmiddels zelf op leeftijd – en door veel, heel veel andere Indische Nederlanders en Molukkers van wie familieleden door toedoen van de koloniale staat beschadigd zijn geraakt, en vervolgens door de Nederlandse overheid zijn genegeerd, gemarginaliseerd en gebagatelliseerd.

Er zijn nog steeds Nederlandse families met een koloniaal verleden die teren op het geld dat in Indië door uitbuiting werd verdiend – maar Indische Nederlanders en Molukkers raakten na de oorlog alles wat ze hadden kwijt, de plek waar ze geworteld waren incluis. Sinds de jaren vijftig vragen deze mensen om hun soldij. Jaar in jaar uit. Al die jaren heeft de Nederlandse staat zo min mogelijk voor ze gedaan, rustig wachtend tot iedereen die er zelf bij was dood is – en dat gaat door tot op de dag van vandaag, met deze keer de wonderlijke gelegenheidsargumentatie dat geen geld het gedane onrecht nog kan goedmaken. Dus ik begrijp die woede op de publieke tribune van de tweede kamer afgelopen week heel goed. Die woede was volkomen terecht. Het is een schande.

Miko Flohr, 25/05/2023