A yellow wall, with Theseus and Ariadne

Miko Flohr, 23/04/2018

Pompeii, House of the Tragic Poet. This is the back wall of a luxury dining room in the garden area of this house; the paintings date to the last decades of Pompeii’s existence (AD 50-79). The central panel-picture features a scene identified as Theseus leaving Ariadne behind at Naxos.

A finely decorated road

Miko Flohr, 20/04/2018

At the small, Hellenistic hilltop town of Solunto, on Sicily, the road leading to the small agora of the city started off with a regular paving of rectangular blocks, but for the last 100 meters, it had been embellished by a pavement of bricks laid with all kinds of geometrical patterns. It is one of the very few places where such a pavement has actually stood the test of time – in many other places, such pavements were either replaced already in antiquity or removed afterwards.

A very urban road

Miko Flohr, 19/04/2018

This is Corinth, which was, of course, an ancient Greek city, but in its excavated form mostly goes back to the period after the Roman foundation of a colony: the Greek city was smashed to pieces by the Roman army in 146 BC. The excavations have mainly focused on the forum but they have included the first meters of the road connecting the city to its harbour at Lechaion. As you can see, this was a beautifully paved street, ending in a staircase. It does not have wheelruts, so perhaps, wheeled traffic was entirely kept away from it. The buildings around the street were as monumental as the street itself, and it shows how, in the Roman period, even cities in the provinces could become rather densely monumentalized.

Grumentum: traces of traffic

Miko Flohr, 18/04/2018

This is the central road of the Roman city of Grumentum,  close to the point where it enters the city’s forum (I was standing with my back to the plaza when I took this picture). Well-paved, it was probably about the most intensively used street-section in the city, and wheeled traffic clearly has left its mark on the surface. Yet, as you can see, it was not easy to get to this point – the city was situated on a hill-top which, though not very high, could only be reached over a number of rather steep slopes.

Venosa: an empty street

Miko Flohr, 17/04/2018

One of two excavated Roman streets in the archaeological site of Venosa (Basilicata, Italy). Both clearly are secondary roads – no wheel-ruts are visible, and the amount of interaction between the street and the adjacent house-blocks is limited, and characterized by closed façades only interrupted by the main entrances of the domestic buildings and of the public bath complex to the left of the road.

Beeldenstormen in Rome?

Miko Flohr, 18/01/2018

De Romeinen hebben het groot gemaakt, het oprichten van standbeelden.  Met name in de keizertijd – en dan weer met name in de tweede eeuw van onze jaartelling – verscheen het ene standbeeld na het andere. Keizers, weldoeners, sporters (heel af en toe zelfs een vrouw!). In Pompeii, dat verwoest werd voordat de  standbeeldenmanie goed en wel begonnen was, groeide het forum in de eerste eeuw na Christus in een verbijsterend rap tempo dicht met standbeelden. Je kan er nog maar weinig van zien: de meeste standbeelden zijn vermoedelijk kort na de uitbarsting weggehaald (het forum was makkelijk te vinden, en vrijwel al het marmer was er verdwenen voordat de moderne opgravingen begonnen) en elders hergebruikt, of in een kalkoven beland, maar als je goed kijkt zie je op en om het plein overal voetstukken, vaak met een inscriptie die vertelt wie er ooit stond, en wat deze persoon zoal op zijn kerfstok had.  Ook elders in de stad vind je standbeelden – in het theater, rondom tempels, en op een paar plekken zelfs op de stoep. In Herculaneum richtte men in de eerste eeuw zelfs een plein in voor de man die destijds de belangrijkste weldoener van de stad was – Marcus Nonius Balbus (zie de foto hierboven).

Of de Romeinen ook standbeelden weghaalden? Dat is moeilijk te zeggen – wat weggehaald is vind je immers niet meer terug. De Romeinen zijn natuurlijk de uitvinders van de damnatio memoriae, maar op veel plekken vind je (resten van) beelden of zelfs beeldengroepen die het de hele keizertijd hebben volgehouden – met name de ‘goede’ keizers hielden lang stand – een standbeeld van Augustus of Trajanus werd niet zomaar weggehaald. Tegelijkertijd vind je ook talloze aanwijzingen dat het beeldenlandschap van steden in de loop der tijd kleine en grotere veranderingen onderging – met name de hoofden van beelden konden vervangen worden of, nog basaler, worden bijgehakt.  Ook brons was niet per se voor de eeuwigheid: het standbeeld op de foto hieronder – in het museum van Baiae – heeft het kapsel en het hoofd van Domitianus (81-96), maar het gezicht van zijn opvolger Nerva (96-98). De club die dit beeld in bezit had had blijkbaar geen geld om het te vervangen, maar moest, na het einde van Domitianus, wel van de in ongenade gevallen keizer af. De beelden van Vespasianus en Titus – de directe voorgangers van Domitianus – bleven overigens staan: een paar decennia terug zijn de drie beelden samen teruggevonden in Misene, bij Napels. Belangrijker was echter dat stedelijke ‘beeldenlandschappen’ voortdurend bleven groeien: er werden niet per se veel standbeelden weggehaald, maar er kwamen wel voortdurend nieuwe beelden bij.

Romeinen legden, als ze er de middelen voor hadden, hun publieke heden vast in beelden van marmer en brons, en dat leidde na verloop van tijd tot steden die vol stonden met het verleden. Standbeelden stonden overal in de Romeinse wereld – in steden, in heiligdommen, en in publieke gebouwen, en werden – in tegenstelling tot wat in ons straatbeeld gebruikelijk is – ook vaak door een flink aantal andere beelden omgeven: in Romeinse steden consumeerde je beelden groepsgewijs, niet in isolatie. Voetstukken waren soms best substantieel, maar veel vaker relatief bescheiden – zeker als het om gewone stervelingen ging: voor de keizer golden (deels) andere normen. Beelden stonden ook lang niet altijd middenin de ruimte, maar veel vaker aan de zijkant, of in een nis. Marcus Nonius Balbus (hierboven) was, in dat opzicht, een uitzondering (als de reconstructie uit de jaren ’30 tenminste correct is…). Als men dus als marmeren of in brons gegoten Romein al van een voetstuk geduwd werd, viel men niet diep, en liet men geen gapende leegte achter.

Het is interessant de verschillen te benadrukken. Ten eerste richt men in de Romeinse wereld slechts zelden standbeelden op voor daadwerkelijk historische figuren – de meeste standbeelden vereeuwigden het heden of, op z’n best, het recente verleden. Ten tweede, en belangrijker, zou je kunnen zeggen dat, in zekere zin, de Romeinse herinneringscultuur de nadruk legt op individuen als onderdeel van een grotere groep, waar in de westerse herinneringscultuur ruimtelijk een veel sterkere nadruk ligt op het individu in isolement. Dat verschil zit hem in de hoeveelheid standbeelden, maar ook in de ruimtelijke positionering. De ‘moderne’ benadering maakt ook dat de positie van een standbeeld van een individu waarvoor men nu geen standbeeld meer zou oprichten, een stuk controversiëler: er is visueel vaak geen ontkomen aan, en er staan geen anderen omheen die de aandacht af kunnen leiden. In dit opzicht hadden de Romeinen het misschien deels wat beter voor elkaar.

De waarheid, de wetenschap en de mens

Miko Flohr, 23/12/2017

Van alle wetenschappelijke takken van sport is de studie van de mens veruit het meest complex. Deels is dat een probleem van praktische aard. Menselijk gedrag is vrijwel onmeetbaar, slecht modelleerbaar, vaak onbegrijpelijk buiten een specifieke context en in alle opzichten mateloos gevarieerd: het is voortdurend aan verandering onderhevig, en wat je op de ene plek dagelijks ziet, zul je op de andere tevergeefs zoeken. Wat nog komen moet is onvoorspelbaar, wat er is, is ongrijpbaar, en wat geweest is wordt in hoog tempo fragmentarisch—dat wat je morgen wil weten, blijkt gisteren per ongeluk te zijn weggegooid. Voordat je het menselijke goed en wel onder woorden hebt gebracht, is alles alweer anders. Πάντα χωρεῖ καὶ οὐδὲν μένει (*).

Tegelijkertijd is er een nog veel fundamenteler obstakel: is de mens eigenlijk wel in staat zichzelf te onderzoeken? Waar het in de exacte wetenschappen, en deels ook in de medische wetenschappen, nog enigszins mogelijk is om klinisch een probleem in kaart te brengen, verkruimelt de distantie wanneer de mens het menselijke onderzoekt. Dat is (volgens mij) vrijwel onvermijdelijk: we dwalen niet als onbeschreven bladen door de wereld die we bestuderen, maar worden gedreven en gestuurd door allerlei ideologische, culturele en religieuze preoccupaties—en de meest fundamentele preoccupaties hebben betrekking op wie we zijn, hoe we (samen)leven, waar we vandaan komen en waar het met de mens naartoe moet. Iedere wetenschapper die mensen onderzoekt – in het nu of in het verleden, vlak bij huis of heel ver weg – verhoudt zich tot zijn onderzoeksobject, en die verhouding is eigenlijk per definitie ideologisch gekleurd – of je je nou met Romeinse keizers bezighoudt, met leprozen in de middeleeuwen, of met sociale fragmentatie in het Europa van de vroege eenentwintigste eeuw. Dit geldt bovendien niet alleen de wetenschapper zelf, maar zeker óók zijn publiek.

Ware, ‘objectieve’, onveranderlijke wetenschappelijke kennis is dan ook, als het over mensen en samenlevingen gaat, vaak een illusie, en dat is het des te meer zodra (1) de thema’s dichter bij huis komen en de ideologische ‘ballast’ die de onderzoeker meetorst zwaarder weegt, en (2) de analyse zich meer richt op alledaagse situaties, die je nauwelijks kan meten, maar die wel heel bepalend voor allerlei belevingswerelden kunnen zijn. Niets zo moeilijk in objectieve termen te vatten als het microniveau van alledag in onze eigen samenleving – als het over de betekenissen dagelijkse sociale en culturele processen gaat, is de empirie in veel opzichten een tandeloze tijger, en is het al heel wat als je woorden kan vinden waarmee je je observaties breed kan communiceren. Moeten we dat dan maar niet op wetenschappelijk niveau bestuderen? Dat zou een vergissing zijn: mensen ontlenen betekenis aan, en worden zichzelf via alledaagse ontmoetingen. Inzicht in dat soort menselijke processen behoort tot de meest fundamentele vormen van wetenschappelijke kennis—het is alleen verdomd lastig te verkrijgen.

Gloria Wekker begeeft zich op een terrein waar dit probleem zo ongeveer het hevigst speelt: haar onderzoek speelt in het hier, in het nu, en gaat over een onderwerp dat in Nederland ideologisch extreem beladen is, en waarover het extreem lastig is goede gegevens te verzamelen. Je kan vinden dat ze wel erg stellig is in hoe ze het opschrijft, en je kan (met mij) vinden dat ze wel erg veel uit haar eigen ervaringen put, maar iedere analyse van haar werk zou moeten vertrekken vanuit de observatie dat het nog niet zo simpel is om een boek te schrijven over de manier waarop het postkoloniale ‘culturele archief’ zich uit in het Nederland van 2017, en over alle kleine (en grotere) gebeurtenissen waaruit de inhoud van dit ‘culturele archief’ duidelijk wordt. Daar komt nog bij dat de lezers van Wekker niet als onbeschreven blad tot haar werk komen – daarvoor is het onderwerp veel te beladen in ons land. Iedereen die in White Innocence leest doet dat vanuit een ideologisch gekleurde positie. Ook ik. En ook gij, Theepot. Is het mogelijk om ‘objectief’ over racisme te schrijven in een samenleving waarin je zelf leeft? Vermoedelijk niet. Is dit thema wetenschappelijk onderzoek waard? Hell yeah, en liefst door zoveel mogelijk verschillende mensen.

Wat Wekker doet staat in een duidelijke methodologische traditie die gevormd is vanuit precies deze problematiek: hoe bedrijf je wetenschap op een terrein waar de ‘wetenschappelijke methode’ van de harde sciences niets te bieden heeft? Hoe kom je van een observatie tot iets dat je betekenis zou kunnen noemen, zonder te verzanden in anekdotes?  Wekker vertrekt vaak vanuit een specifieke situatie, en extrapoleert die dan via literatuur.  Het is gemakkelijk om vanaf de zijlijn te roepen dat het allemaal statistisch significant onderbouwd moet worden, maar bij veel van de situaties die ze bespreekt is dat simpelweg niet aan de orde. Is het daardoor minder objectief? Ja, ongetwijfeld. Is het minder wetenschappelijk? Nee. Het bouwt voort op en draagt bij aan een duidelijk wetenschappelijk discours, en zal de komende jaren ongetwijfeld vertrekpunt zijn voor allerlei wetenschappelijk onderzoek dat het ‘model’ van Wekker van cachet zal voorzien, of zal doen wankelen.

Wekker is niet de enige die zo werkt. Hoe dacht u dat we, bijvoorbeeld, radicalisering onderzoeken? Ook daarvoor zijn onderzoekers (deels) gebonden aan close reading en thick description (*) van soms heel fluïde, nauwelijks te verifiëren situaties, en hangt veel af van vaak direct betrokken bronnen met zelf slechts beperkte kennis. Toch kun je langs deze weg tot duurzame inzichten komen. Het kost veel tijd en moeite, en vooral debat, want waar wetenschap over mensen gaat, gaat zij niet over absolute waarheden. Dat kan ook helemaal niet, en het is hoog tijd dat de manier waarop wij over wetenschap praten zich weg beweegt van de door natuurwetenschappen ingegeven objectiviteitsdrang. Wetenschap gaat, in essentie, ook helemaal niet over weten, maar over begrijpen en verklaren, en over het onder woorden brengen van allerlei complexe werkelijkheden, die er door verschillende ogen vaak anders uitzien. Daar heb je soms niet zozeer statistiek voor nodig, als wel een scherp oog, een dikke pen, en de confrontatie met het werk van anderen, die vanuit een andere (ideologische) positie naar een vergelijkbaar probleem kijken. Wetenschap over de wereld van de mens is een gesprek, waarbij vooral belangrijk is welke inzichten op langere termijn beklijven. Of die van Wekker daarbij horen, zal de tijd leren.

 

Waking up the sleeping giants? Towards a richer and more inclusive research environment in the Social Sciences and the Humanities

Miko Flohr, 16/11/2017

This is the text of a brief essay that I presented at the synergy conference of NWO’s Social Sciences and Humanities division held in Utrecht, on 16 November 2017.  

When I heard that NWO was going to merge its humanities and social sciences domains, I had my reservations – as had many colleagues. These were two large domains; they each had their own distinct character, and each already represented an exceptionally broad disciplinary paradigm. What good could come out of this? Yet the cautious way in which NWO is implementing the merger has, at least for now, taken away some of my doubts, and it is true that the new social sciences and humanities domain also offers some great opportunities, especially if it will be able to tweak funding instruments to the needs of the researchers that it serves.

In this way, the merger also would make sense:  while there are many differences between the social sciences and the humanities that cannot and should not be bridged, the two domains find each other in their institutional context: both humanities and social sciences faculties include a lot of academics whose careers primarily develop around teaching. Many of these lecturers are actually brilliant researchers, and they could produce work of the highest quality, but once they are more than a year or five beyond their Ph.D., and once they have missed the first major funding opportunities because they were too busy teaching, it becomes very hard for them to get a grant – they generally do not have the CV for the bigger grants, and there are very few grants for personal development after the VENI.

These lecturers are our sleeping giants. Their current situation is bad for them, but it is also bad for the social sciences and humanities as a whole, as a lot of intellectual capital is not being mobilized. Most research is being done by grant-holders, by their Ph.D.-students and by their postdocs, while ‘normal’ lecturers have few opportunities to enrich their teaching with exciting new research of their own. As many postdocs and Ph.D.-students move on to careers outside the university when large projects finish, a lot of ‘new’ research expertise is leaking away from academia. As teaching in many disciplines in the social sciences and the humanities is one of the most powerful vehicles for knowledge utilization, the impact of NWO-funded research is under pressure.

There is no doubt that the merger makes it easier to address these problems. Moreover, it is not a matter of inventing the wheel: good funding instruments already exist elsewhere. One example is the mid-career fellowship of the British Academy, which plays a key role within the Social Sciences and the Humanities in the UK by giving experienced academics two or three years research time and a bit of money to complete a major piece of research. This is not expensive, and it really helps. Arguably, we need to wake up our sleeping giants. Targeting this group with effective funding instruments would make our research environment richer, and more inclusive – and this would be one of the best forms of synergy that the new domain can possibly achieve.

Myth-busting the acoustics of ancient Greek theatres – or not?

Miko Flohr, 19/10/2017

It sounds like a classic anecdote of the inevitable progress of science: while everyone had long believed that the acoustics of Greek theatres were astounding, scientists had now finally done their measurements, and had concluded that it was all different. Contrary to what tour guides tell you on site, you cannot normally recognize the sound of a coin being dropped on stage when you’re in the highest row of the cavea. You can hear paper being torn only to half way up the seating. If you want speech to be recognizable for the audience further away from the orchestra, you need actors to speak loudly. Thus, lo and behold, on closer inspection, the stories told by local tour guides appeared to be a little bit exaggerated, and it emerged that there were limits to the acoustical qualities of ancient Greek architecture.

Actually, the story left me a bit surprised. Here we have a team of acoustical scientists who boldly go where no-one has ever gone before, bring in a couple of microphones and speakers, do some measurements and a bit of computing, and call the press to share their amazing discoveries. Except that the discoveries were not, in fact, so amazing, and there are some serious questions to be asked about the way in which this team of scientists conducted their work and organized their project. This does not so much concern their actual measurements – they will be competent acoustical scientists, they know their field, they know how to measure sound, and they will probably have built up an accurate picture of the acoustical qualities of the environments that they investigated. I assume their methodology is innovative and successful, and will contribute to changing their scientific field.

Yet no myth was busted, since, basically, no such myth ever existed. True, many classical scholars will believe that the acoustics in Greek theatres were reasonably good (which the measurements confirmed), and some classical scholars in the past have made exaggerated claims comparable to those made by tour guides, but this is not an idea that dominates the study of Greek (or Roman) theatres nowadays. If anything, one could argue that there is no such thing as an articulated position shared by the field, though I guess discourse about theatre and audience has highlighted quite a few of the acoustical complexities involved in staging a performance in a Greek theatre. One could add that there is reason to assume that acoustics, though important, were not always top on the list in theatre construction – many theatres were built as prestige projects and may have been larger than the average expected audience. Thus, in practice, the acoustical scientists seem to have attacked a strawman. This should be no surprise: despite the name of the project (‘ancient acoustics’) no classicist or archaeologist was ever involved in it, and the publications listed at the end of their papers do not include any archaeological or classical scholarship. Indeed, they did not even bother to make any references to publications detailing the theatres where they did their measurements!

Does this absence of classical scholars matter? Yes it does. First, it meant that the project misunderstood the state of scholarship regarding the acoustical qualities of Greek theatres – typically, one of their papers starts with the claim that ‘The theatres are renowned for their alleged exceptional acoustics’ without any reference to academic literature actually stating this. Secondly, I am at a loss why it is at all possible to go measure sound in an archaeological context without an archaeologist present to guide the handling of this valuable and often vulnerable heritage, which can be extremely challenging to understand even for professionals. Thirdly, if it is an aim for the project to understand the acoustical qualities of Greek theatre architecture (which is what they state on their project website), then you certainly need a specialist to compile a credible sample and to decide which of the 600-odd Greco-Roman theatres are going to be measured. The present selection is not defended, and looks odd. Epidauros, though exceptional, makes sense, the odd theatre at Argos and the (probably roofed) Odeon of Herodes Atticus much less so.

The fourth point, however, is crucial: you need an archaeologist, or significant familiarity with the archaeological literature, to understand how measurements of the current acoustics relate to the ancient acoustics that the project is said to be all about. If one wants to know whether the Greeks were ‘ahead of their time’, as the dutch version of the project website claims, you are not talking about simply measuring the buildings in their present state, but about modelling their acoustical landscape in their ancient state – or rather states, as many theatres went through several building phases that can only be understood by studying their archaeology to quite some detail. In short: the ancient acoustics project should have been designed with an experienced classical archaeologist on board right from the start. It is a strange, and almost indefensible omission – imagine a classical archaeologist working in a chemical lab without a chemist present. Interdisciplinarity is a good thing. Extradisciplinarity is not.

There’s a bigger point here, too: the acoustical scientists are not alone. There appears to be a tendency among scientists to use the classical world – and particularly certain famous anecdotes – as a test case for developing and testing methodologies in their own field. The fall of the Roman Empire has been used by climate historians as a test case for relating climatic change to historical events, as has, more recently, been true for the role of volcanic eruptions in the fall of Ptolemaic Egypt (and particularly Cleopatra). There are I do not know how many attempts to measure the amount of lead and heavy metal contamination in Roman tap water. This is not necessarily a bad thing, but while many of such stories have made it to the press (Classics sell!), very few have actually made a serious impact in Classical Studies. This is because in many of these studies the emphasis lies on the scientific analysis and its technicalities, not on integrating it with the indefinitely more complex and fragmented historical and archaeological material, or on connecting it with current discourse in classical scholarship. In other words: we, classical scholars, need to be at the drawing table of such projects more often, and we need to make sure that there is space for our approach to the matter as well, and for our critical tradition. And if we’re by accident or design not at the drawing table, we need to make clear – if necessary publicly – that that is not normal, and not acceptable.